Er was eens een meisje dat
Roodkapje werd genoemd, omdat ze altijd een rood kapje op haar hoofdje had. Ze
woonde aan de rand van het bos.
Op een dag zei haar moeder:" Roodkapje, ik heb hier een mandje met glimmende
appels en sterkende wijn. Wil je dat naar oma brengen? Ze is ziek. Maar denk
erom, niet van het pad af gaan."
En zo liep Roodkapje met het mandje het bos in, op weg naar oma.
De eerste die ze tegen kwam, was de wolf.
"Waar ga jij naar toe?" vroeg de wolf.
"Naar oma," zei Roodkapje,"want oma is ziek. Ik moet appels brengen."
"Waarom breng je niet ook een mooi bosje bloemen mee?" zei de wolf," er staan
zulke mooie bloemen in het bos."
Dat vond Roodkapje een goed idee. Ze liep van het pad af, naar een bosweitje vol
prachtige bloemen en maakte een mooi bosje.
Intussen rende de wolf naar het
huisje van oma en klopte aan.
"Ben jij het, Roodkapje?" zei oma. "De sleutel ligt onder het matje."
Zo kwam de wolf binnen. Hij pakte oma's muts van haar hoofd en slikte oma in ��n
hap door, zonder te kauwen.

Na een poosje kwam Roodkapje bij
het huisje van oma. De deur stond open. Ze zag oma in haar bed liggen.
"Maar oma," zei ze geschrokken," wat heeft u een grote oren."
"Dat is om beter te kunnen horen."
"En wat heeft u een grote handen."
"Dat is om beter te kunnen vastpakken."
"En wat heeft u een grote tanden."
"Dat is..." Maar de wolf praatte niet verder. Hij slikte Roodkapje in ��n hap
door, zonder te kauwen. Toen kwam er een jager bij het huisje van oma. Hij vond
het vreemd dat haar deur zomaar open stond. Binnen vond hij de wolf in diepe
slaap.
Voorzichtig sneed de jager de buik van de wolf open. Roodkapje en grootmoeder
kropen naar buiten. In de buik van de wolf stopte hij zware stenen. Toen de wolf
later wakker werd en weg wilde lopen, viel hij meteen dood neer.
Ja, zo gaat dat met wolven in sprookjes.
En oma en Roodkapje leefden nog lang en gelukkig.